Energielabel
De label C-plicht voor kantoren
Sinds 1 januari 2023 moeten kantoren minimaal label C hebben. De norm, alle zeven uitzonderingen, wie handhaaft, en waarom er géén wettelijke label A-plicht in 2030 is.
De label C-plicht is een andere soort regel dan de gewone labelplicht. Die laatste ontstaat bij een transactie; deze geldt continu, ongeacht of u verkoopt, verhuurt of niets doet.
Sinds 1 januari 2023 moet een kantoorgebouw minimaal energielabel C hebben. Dat betekent: een energielabel met een primair fossiel energiegebruik van maximaal 225 kWh per m² per jaar, óf een label met de letter C of beter.
Voldoet het pand daar niet aan, dan mag het niet als kantoor in gebruik zijn.
De plicht geldt niet als:
- de gebruiksoppervlakte van de kantoorfuncties (exclusief nevenfuncties) minder dan 50% is van de totale gebruiksoppervlakte van het gebouw;
- de gebruiksoppervlakte van de kantoorfuncties en hun nevenfuncties samen minder dan 100 m² is;
- het gaat om een monument als bedoeld in de Erfgoedwet, of een monument aangewezen in een provinciale of gemeentelijke verordening;
- het kantoorgebouw ten hoogste twee jaar wordt gebruikt;
- het gebouw via minnelijke verwerving is verkregen en in dat kader zal worden gesloopt;
- het gebouw of een gedeelte daarvan niet bestemd is om te worden verwarmd of gekoeld voor personen;
- de maatregelen die nodig zijn om label C te halen een terugverdientijd van meer dan tien jaar hebben.
De eerste twee zijn in de praktijk de belangrijkste. Een bedrijfsverzamelpand met 40% kantoor en 60% werkplaats valt buiten de plicht; hetzelfde pand met 55% kantoor valt erbinnen. Bij twijfel is het de gebruiksoppervlakte die telt, niet het aantal ruimtes of de indeling op papier.
Let op het onderscheid dat sinds 29 mei 2026 verwarring geeft. Per die datum is de monumentenuitzondering voor de gewone labelplicht vervallen: bij verkoop of verhuur van een monument is nu wel een label nodig. Voor de label C-plicht blijft de uitzondering bestaan, ook na 28 mei 2026.
Een monumentaal kantoorpand heeft dus bij verkoop of verhuur een geldig label nodig, maar dat label mag een G zijn.
Uitzondering zeven wordt vaak te gemakkelijk aangenomen. Het gaat om de maatregelen die nódig zijn om C te halen — niet om de duurste maatregel die denkbaar is. Wie zich hierop beroept, moet kunnen onderbouwen welke maatregelenset is doorgerekend en waarom die niet binnen tien jaar terugverdient. Een maatwerkadvies is de gebruikelijke onderbouwing.
Het bevoegd gezag voor het Besluit bouwwerken leefomgeving handhaaft — in de praktijk de gemeente of de omgevingsdienst waar het kantoor staat. Dat is dus een andere toezichthouder dan bij de gewone labelplicht, waar de ILT over gaat.
Gemeenten zijn met toezicht begonnen en een aantal is overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. Dat is geen eenmalige boete maar een bedrag dat blijft lopen tot het pand voldoet.
Dit misverstand komt uit energieakkoorden, waarin label A in 2030 als ambitie is genoemd. Een wettelijke verplichting is dat niet. Specifieke wettelijke eisen richting 2050 worden pas na 2030 vastgesteld.
Wie vandaag investeert, doet er verstandig aan verder te kijken dan C — maar wie u vertelt dat A in 2030 moet, verwart een ambitie met een wet.
Per 1 juli 2026 voldeed 84% van het kantoorvloeroppervlak aan label C of beter, en 72% van de kantooradressen. Tegelijk had 24% van de kantoren nog helemaal geen label. Dat laatste getal is het interessante: een pand zonder label voldoet per definitie niet aan de plicht, ook als het feitelijk zuinig genoeg zou zijn.
Dit is algemene uitleg over de regelgeving en geen juridisch advies.